Doorgaan naar inhoud →

19. Hier

Zomer 2019. Aan het einde van de ziekenhuisgang staat een vrouw voor het raam, alleen. Ze staart naar buiten, telefoon in haar hand. Een verpleegster loopt naar haar toe, reikt haar woordeloos een glas water aan. Ze knikken naar elkaar. De verpleegster loopt zachtjes weg. Ze kijkt weer naar buiten en neemt een slok. Hij is er niet meer. Haar vader. Ze staart naar de lucht, de wolken. Ze hoort de stilte om haar heen. Tien minuten geleden ademde hij nog. 

Een moment bevroren in de tijd. De tijd lijkt een aaneenschakeling van dergelijke momenten. Het beeld staat even stil. Je prent het in je hoofd, bewust, onbewust. Dan stroomt alles weer door. De wolken waaien mee met de wind, harde voetstappen klinken, gelach in de verte. De stilte is verstoord, het glas is leeg.

In mijn dromen is het huis waarin ik opgroeide, en mijn vader ook opgroeide, nog altijd hoe het was in 1980. Als ik er nu langs ga, is het wel hetzelfde huis, maar bijna niet te herkennen. Het huis in mijn dromen heeft klimop aan de voorkant, bomen aan de zijkant, heeft een serre met een hoekbank en hangplanten, heeft een slaapkamer met een groen bed. In mijn dromen dreigt er in of om het huis vaak gevaar. Ik verstop me of probeer te vluchten.

Alles verandert, altijd. Zo is het nu eenmaal. Maar mijn hart kan het niet bijhouden. Mijn hoofd wil terug in de tijd. Vasthouden, niet vergeten. Herinneren. Niet omdat het allemaal zo mooi en leuk was, maar omdat het was.

Zomer 1993. Ze wil naar London, want daar bruist het leven, het leven waar zij naar verlangt. Haar vader helpt haar de reis voorbereiden. Brengt haar naar het vliegveld. Kriebels in haar buik. Ze zal haar achttiende verjaardag daar vieren, met een vriendin. Veel leuker dan thuis bij haar ouders. Hij omhelst haar stevig, zij wurmt zich los. Het vliegtuig stijgt op. Ze tuurt uit het raampje, naar de lucht, de wolken. Voelt de vrijheid. 

Zomer 1991. Op een bergtop in Oostenrijk staat een tiener. Ze bewondert het uitzicht, maar is er niet echt bij. In haar gedachten is ze altijd ergens anders. Haar vader kijkt naar haar, peilt haar, zoals ze ook zo vaak bij hem doet. Ze cirkelen om elkaar heen, als twee vogels in de lucht. Ze had hem kunnen vertellen van de wandeling die ze maakte in de buurt van het hotel, alleen. Van de man die achter haar aan liep en ineens haar hand pakte. De dreiging van gevaar, niemand die haar kon helpen. Ze had zich losgerukt, was zo hard ze kon weggerend. Natuurlijk vertelt ze het niet. Dan worden ze alleen maar bezorgd, mag ze niet meer alleen weg. 

Herinneringen waarmee ik iets probeer te grijpen. De kern van wie hij was en wie wij samen waren. Vader en dochter. Maar we staan niet stil, we liggen niet vast, we zijn nog altijd in beweging. Hij daar, ik hier. Soms hij hier, ik daar. Af en toe raken we elkaar aan. Vervolgens cirkelen we weer door, om elkaar heen. Vogels in de lucht. Twee zielen, tuimelend door de tijd.

Zomer 1981. Tijdens het avondeten zitten ze met het hele gezin aan tafel. Zij tuurt naar haar bord, het eten gaat als altijd moeizaam. Maar na het eten staat ze op, loopt naar zijn stoel, gaat achter haar vader staan, slaat haar armen om zijn nek. Hij pakt haar handen en zo staat ze en zit hij: verbonden, vergroeid met elkaar. Het wordt rustig in haar hoofd. Daarna gaat ze bij hem op schoot. Ze laat hem de binnenkant van haar polsen zien: er zit stift. Ze heeft hard geboend maar krijgt het er maar niet af. Haar vader kijkt en lacht. Dat is geen stift. Dat zijn je aderen, daar stroomt je bloed. 

Als ik langs oude huizen fiets door oude straten van de stad, stel ik me voor wie daar vroeger woonden, en wie daar toen liepen. Het zijn dezelfde huizen waar nu andere mensen wonen, met hun levens, hun verhalen, hun verdriet, hun herinneringen. Allemaal gewoon: mensen, met alles wat daarbij hoort. Jij en ik. Ik kijk veel naar oude foto’s, van mensen uit vervlogen tijden. De kinderen van toen in een voor mij bekende straat. De hoopvolle, onschuldige gezichtjes. Het is diezelfde straat waar nu andere kinderen naar elkaar roepen en met elkaar spelen. Nog even en hun kindertijd is voorbij. Maar in hun hart en hoofd zal het nooit voorbij zijn. 

Alles is hier op hetzelfde moment. Niet wij maar de tijd is inwisselbaar.

Mijn vader leefde van 1934 tot 2019. Een half leven was ik daar niet bij. Hij zal een half leven van mij niet hier zijn. Maar natuurlijk is hij er wel, wij zijn tenslotte tijdreizigers, allemaal. 

En in mijn verhalen zal ik proberen ook daar te zijn: in zijn leven vóór ik geboren was. 

De afbeeldingen bij dit blog komen uit de graphic novel Here van Richard McGuire. In deze graphic novel zien we steeds dezelfde kamer van een huis, maar reizen we door de tijd op die ene plek. We zien in steeds verschillende scenes wat zich daar op allerlei verschillende momenten in de geschiedenis heeft afgespeeld. 

Wil je mail bij een nieuw blog?


Vul dan je e-mailadres en naam in. Je kunt altijd weer uitschrijven.


Gepubliceerd in Mijn verhaal

2 reacties

  1. Meme Meme

    Prachtige blog Marjonne, met een heel verdrietig onderwerp. Heel mooi hoe je dit in woorden weet te vangen. Sterkte x

  2. Frans van Santen Frans van Santen

    Fijn, heel fijn leesvoer! En mooi verwoord..

Leuk als je reageert

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.