10: Epiloog

De afgelopen weken nam ik jullie mee in het verhaal van mijn familie. Ik schreef over wat ik ontdekte in het oorlogsarchief, het CABR. En ik onderzocht hoe de keuzes van mijn opa doorwerken, in mijn familie, mijn vader en tenslotte bij mijzelf. Maar hoe verhoudt mijn persoonlijke verhaal zich tot de bredere collectieve verwerking van het naziverleden? Hoe doe je dat eigenlijk: een verleden verwerken?

In oktober 2024 bezocht ik het museum Topographie des Terrors in Berlijn. Het ligt op een plek die beladen is met geschiedenis: hier stonden ooit het hoofdkwartier van de Gestapo en de SS, het centrum van terreur en vervolging in nazi-Duitsland. Vandaag de dag is het een open, sobere ruimte. De funderingen van de vernietigde gebouwen liggen bloot, als littekens in de grond. Grote zwart-witfoto’s zijn tentoongesteld, naast documenten die de systematische wreedheid vastleggen. Het is een kale en mede daardoor harde confrontatie met het verleden.

Na mijn bezoek sprak ik met een gids. Hij vertelde over zijn ervaringen met het rondleiden van verschillende groepen bezoekers. Er zijn volgens hem twee typen nabestaanden die het museum met een zekere angst betreden: zij die vrezen een bekende te herkennen tussen de slachtoffers, en zij die vrezen een familielid te herkennen tussen de daders. Duitsland, zei de gids, is een land vol daders. De angst een familielid op een foto te herkennen, maakt mensen kwetsbaar.

Die kwetsbaarheid voel ik zelf ook. Als kleinkind van een Nederlandse SS’er en NSB’er sluit mijn ervaring naadloos aan bij de Duitse ervaring. In Topographie des Terrors stond ik stil voor een reeks foto’s van de Wiking-Divisie. Mijn ogen gleden zoekend langs de gezichten. Zou ik hier mijn oudoom Goof herkennen, die zich als SS’er bij deze divisie had aangesloten? Het was een beklemmend moment: het besef dat ik niet zomaar een bezoeker was, niet slechts een toeschouwer, maar via mijn familie onderdeel van deze ultieme kwaadaardigheid.

Tijdens het gesprek met de gids van het museum, voelde ik me in mijn ervaring begrepen. Hij benoemde mijn gevoel, zonder dat ik het hoefde uit te leggen. In Nederland is dit nog altijd zeldzaam. Hier wordt de erfenis van het daderschap nauwelijks erkend, en de ongemakkelijke vragen en gevoelens die daarbij horen, worden vaak vermeden.

De Duitse kunstenaar Anselm Kiefer weigerde het oorlogsverleden te verzwijgen. Zijn werk is doordrenkt van verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust, niet alleen thematisch, maar ook in de materialen die hij gebruikt. As, lood, verbrande boeken – het zijn restanten van vernietiging, maar tegelijkertijd dragers van herinnering. Kiefer laat zien dat het verleden niet alleen voortleeft in verhalen, maar ook in de fysieke wereld: in ruïnes, in landschappen, in de materialen die ons omringen. Zijn kunst maakt tastbaar hoe een geschiedenis die men wil vergeten, juist in die sporen blijft bestaan. Zo dwingt Kiefer ons om niet alleen te kijken naar wat verloren ging, maar ook naar wat is achtergebleven, en wat we daarmee doen.

De archiefstukken waarmee ik mijn familiegeschiedenis probeerde te ontrafelen, zijn de brokstukken van een verleden dat niet verdwenen is, maar in fragmenten voortleeft. De dossiers zijn bureaucratische vastleggingen van namen, data, plaatsen en beslissingen. Tussen die formele registraties vond ik ook persoonlijke sporen, zoals getuigenverklaringen en foto’s van mijn opa. De documenten boden een ingang naar een verleden dat nooit volledig te reconstrueren valt. Ik liep door de gangen van een geschiedenis die deels toegankelijk is, deels ondoordringbaar. Sommige deuren gingen open, andere bleven gesloten. Wat ontbreekt, is soms net zo veelzeggend als wat is vastgelegd. 

Die spanning tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen wat is doorgegeven en verzwegen, is niet alleen iets persoonlijks. Ze weerspiegelt een bredere, nationale worsteling met het verleden. Waar Duitsland tot een directe confrontatie met het eigen daderschap gedwongen werd, kon Nederland lang vasthouden aan het beeld van zichzelf als land van verzet en slachtoffers. 

Wat betekent het als een geschiedenis onbesproken blijft? In veel families met een vergelijkbaar verleden als de mijne is nooit gepraat. Voor kinderen en (achter)kleinkinderen betekent dat een gevoel van verwarring en leegte. Er is een intuïtief idee dat ‘iets’ niet klopt, zonder te begrijpen wat dat is. De worsteling met die erfenis is niet uniek, maar maakt deel uit van een groter patroon: het ongemak van een natie die zich liever richt op heroïek dan op morele ambiguïteit. Bij gebrek aan collectieve voorbeelden ploetert iedereen eenzaam door. Op de kleine vierkante centimeter van het individuele leven: het verhaal van die ene familie, en dat ene gezin. 

Kiefers werk laat zien dat de geschiedenis niet verdwijnt, hoezeer men haar ook probeert weg te duwen. Ze blijft aanwezig, in het hier en nu, in snippers, in een foto, in een herinnering, en in onszelf.  De confrontatie met het verleden is moeilijk, toch is het noodzakelijk om verder te komen. Om te voorkomen dat we blijven hangen in een platgeslagen beeld van ‘hoe het was’, een beeld waarvan we aanvoelen dat het incompleet is. In zijn werk Innenraum verwijst Kiefer direct naar de binnenkant van het kwaad: de grote, lege ruimte op het schilderij is een verwijzing naar de architectuur van het Derde Rijk, maar ook naar de menselijke binnenwereld. 

Innenraum, Anselm Kiefer, 1981 (Stedelijk Museum Amsterdam)

Hij stelt een ongemakkelijke vraag: als we ons verleden onder ogen zien, kunnen we dan nog volhouden dat het kwaad alleen buiten onszelf ligt? Of is het, zoals Kiefer suggereert, ook iets dat in onszelf schuilt?

Dit besef maakt het vertellen van deze verhalen zo belangrijk. Niet om onszelf te kwellen met schuld, maar om ons te herinneren aan onze menselijke kwetsbaarheid. Kunst en literatuur helpen ons de donkere kanten van de geschiedenis én van onszelf onder ogen te zien. Ze dwingen ons tot reflectie, tot het stellen van vragen, tot het erkennen van wat ongemakkelijk is. We hoeven ons verleden niet af te sluiten, we moeten leren leven met de gelaagdheid ervan.

Mijn zoektocht eindigt niet met een duidelijke conclusie. Ik vond geen antwoorden die alles verklaren. Maar door dit verhaal te vertellen, door het te onderzoeken en te delen, kunnen we misschien iets anders vinden: een manier om verantwoordelijkheid te dragen. Voor het verleden, maar ook voor onze toekomst. 

Reacties

Laat de eerste reactie achter


10: Epiloog

Hoe verhoudt mijn familiegeschiedenis zich tot de bredere collectieve verwerking van ons oorlogsverleden? Mijn bezoek aan het museum Topographie des Terrors in Berlijn confronteerde me met de kwetsbaarheid die zowel nabestaanden van slachtoffers als daders voelen. In Nederland blijft de erfenis van het daderschap vaak onbesproken.

De afgelopen weken nam ik jullie mee in het verhaal van mijn familie. Ik schreef over wat ik ontdekte in het oorlogsarchief, het CABR. En ik onderzocht hoe de keuzes van mijn opa doorwerken, in mijn familie, mijn vader en tenslotte bij mijzelf. Maar hoe verhoudt mijn persoonlijke verhaal zich tot de bredere collectieve verwerking van het naziverleden? Hoe doe je dat eigenlijk: een verleden verwerken?

In oktober 2024 bezocht ik het museum Topographie des Terrors in Berlijn. Het ligt op een plek die beladen is met geschiedenis: hier stonden ooit het hoofdkwartier van de Gestapo en de SS, het centrum van terreur en vervolging in nazi-Duitsland. Vandaag de dag is het een open, sobere ruimte. De funderingen van de vernietigde gebouwen liggen bloot, als littekens in de grond. Grote zwart-witfoto’s zijn tentoongesteld, naast documenten die de systematische wreedheid vastleggen. Het is een kale en mede daardoor harde confrontatie met het verleden.

Na mijn bezoek sprak ik met een gids. Hij vertelde over zijn ervaringen met het rondleiden van verschillende groepen bezoekers. Er zijn volgens hem twee typen nabestaanden die het museum met een zekere angst betreden: zij die vrezen een bekende te herkennen tussen de slachtoffers, en zij die vrezen een familielid te herkennen tussen de daders. Duitsland, zei de gids, is een land vol daders. De angst een familielid op een foto te herkennen, maakt mensen kwetsbaar.

Die kwetsbaarheid voel ik zelf ook. Als kleinkind van een Nederlandse SS’er en NSB’er sluit mijn ervaring naadloos aan bij de Duitse ervaring. In Topographie des Terrors stond ik stil voor een reeks foto’s van de Wiking-Divisie. Mijn ogen gleden zoekend langs de gezichten. Zou ik hier mijn oudoom Goof herkennen, die zich als SS’er bij deze divisie had aangesloten? Het was een beklemmend moment: het besef dat ik niet zomaar een bezoeker was, niet slechts een toeschouwer, maar via mijn familie onderdeel van deze ultieme kwaadaardigheid.

Tijdens het gesprek met de gids van het museum, voelde ik me in mijn ervaring begrepen. Hij benoemde mijn gevoel, zonder dat ik het hoefde uit te leggen. In Nederland is dit nog altijd zeldzaam. Hier wordt de erfenis van het daderschap nauwelijks erkend, en de ongemakkelijke vragen en gevoelens die daarbij horen, worden vaak vermeden.

De Duitse kunstenaar Anselm Kiefer weigerde het oorlogsverleden te verzwijgen. Zijn werk is doordrenkt van verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust, niet alleen thematisch, maar ook in de materialen die hij gebruikt. As, lood, verbrande boeken – het zijn restanten van vernietiging, maar tegelijkertijd dragers van herinnering. Kiefer laat zien dat het verleden niet alleen voortleeft in verhalen, maar ook in de fysieke wereld: in ruïnes, in landschappen, in de materialen die ons omringen. Zijn kunst maakt tastbaar hoe een geschiedenis die men wil vergeten, juist in die sporen blijft bestaan. Zo dwingt Kiefer ons om niet alleen te kijken naar wat verloren ging, maar ook naar wat is achtergebleven, en wat we daarmee doen.

De archiefstukken waarmee ik mijn familiegeschiedenis probeerde te ontrafelen, zijn de brokstukken van een verleden dat niet verdwenen is, maar in fragmenten voortleeft. De dossiers zijn bureaucratische vastleggingen van namen, data, plaatsen en beslissingen. Tussen die formele registraties vond ik ook persoonlijke sporen, zoals getuigenverklaringen en foto’s van mijn opa. De documenten boden een ingang naar een verleden dat nooit volledig te reconstrueren valt. Ik liep door de gangen van een geschiedenis die deels toegankelijk is, deels ondoordringbaar. Sommige deuren gingen open, andere bleven gesloten. Wat ontbreekt, is soms net zo veelzeggend als wat is vastgelegd. 

Die spanning tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen wat is doorgegeven en verzwegen, is niet alleen iets persoonlijks. Ze weerspiegelt een bredere, nationale worsteling met het verleden. Waar Duitsland tot een directe confrontatie met het eigen daderschap gedwongen werd, kon Nederland lang vasthouden aan het beeld van zichzelf als land van verzet en slachtoffers. 

Wat betekent het als een geschiedenis onbesproken blijft? In veel families met een vergelijkbaar verleden als de mijne is nooit gepraat. Voor kinderen en (achter)kleinkinderen betekent dat een gevoel van verwarring en leegte. Er is een intuïtief idee dat ‘iets’ niet klopt, zonder te begrijpen wat dat is. De worsteling met die erfenis is niet uniek, maar maakt deel uit van een groter patroon: het ongemak van een natie die zich liever richt op heroïek dan op morele ambiguïteit. Bij gebrek aan collectieve voorbeelden ploetert iedereen eenzaam door. Op de kleine vierkante centimeter van het individuele leven: het verhaal van die ene familie, en dat ene gezin. 

Kiefers werk laat zien dat de geschiedenis niet verdwijnt, hoezeer men haar ook probeert weg te duwen. Ze blijft aanwezig, in het hier en nu, in snippers, in een foto, in een herinnering, en in onszelf.  De confrontatie met het verleden is moeilijk, toch is het noodzakelijk om verder te komen. Om te voorkomen dat we blijven hangen in een platgeslagen beeld van ‘hoe het was’, een beeld waarvan we aanvoelen dat het incompleet is. In zijn werk Innenraum verwijst Kiefer direct naar de binnenkant van het kwaad: de grote, lege ruimte op het schilderij is een verwijzing naar de architectuur van het Derde Rijk, maar ook naar de menselijke binnenwereld. 

Innenraum, Anselm Kiefer, 1981 (Stedelijk Museum Amsterdam)

Hij stelt een ongemakkelijke vraag: als we ons verleden onder ogen zien, kunnen we dan nog volhouden dat het kwaad alleen buiten onszelf ligt? Of is het, zoals Kiefer suggereert, ook iets dat in onszelf schuilt?

Dit besef maakt het vertellen van deze verhalen zo belangrijk. Niet om onszelf te kwellen met schuld, maar om ons te herinneren aan onze menselijke kwetsbaarheid. Kunst en literatuur helpen ons de donkere kanten van de geschiedenis én van onszelf onder ogen te zien. Ze dwingen ons tot reflectie, tot het stellen van vragen, tot het erkennen van wat ongemakkelijk is. We hoeven ons verleden niet af te sluiten, we moeten leren leven met de gelaagdheid ervan.

Mijn zoektocht eindigt niet met een duidelijke conclusie. Ik vond geen antwoorden die alles verklaren. Maar door dit verhaal te vertellen, door het te onderzoeken en te delen, kunnen we misschien iets anders vinden: een manier om verantwoordelijkheid te dragen. Voor het verleden, maar ook voor onze toekomst. 

Delen is lief

Laat de eerste reactie achter


Alle artikelen

Wil je mail bij een nieuw artikel?

Vul je naam en e-mailadres in en ik stuur je een mail als er een nieuw verhaal is.

Mail bij nieuw artikel
Geen spam. Beloofd. En je krijgt nog een e-mail om je aanmelding te bevestigen