Nadat ik de dossiers in het CABR van mijn opa voor het eerst had ingezien in 2003, dacht ik regelmatig na over mijn oma. Wat vond zij destijds van wat mijn opa deed? De consequenties voor haar waren enorm. Niet alleen was zij tijdens de oorlog meestal alleen, omdat mijn opa naar het oostfront was of bij de Landwacht aan het werk, ook na de oorlog moest zij onder moeilijke omstandigheden in haar eentje de zorg dragen voor haar nog jonge kinderen. Kon ze achter zijn keuzes hebben gestaan? Ik kon het me moeilijk voorstellen.
Bij haar kinderen en kleinkinderen was mijn oma geliefd – liefdevol en zacht. Als kleuter zat ik graag bij haar op schoot. Met haar armen om me heen neuriede ze liedjes in mijn oor. Ik vroeg haar om me het medaillon te laten zien dat ze om haar nek droeg: een ketting in de vorm van een boekje, met daarin verborgen als een schat een piepklein fotootje van mijn opa en oma. Met haar slanke vingers klikte ze het medaillon steeds weer voor me open. Ik herinner me de veilige warmte van ons ritueel.
In het dossier van mijn opa Bas Maan staat een aantekening uit 1951 bij zijn vrijlating: “huwelijkse staat uitstekend”.
In 1940 werd Kornelia Maan-Smit lid van de NSB, in navolging van haar man die al vanaf 1934 lid was. Na haar arrestatie in 1945 was al snel duidelijk dat ze niet actief was geweest binnen de NSB. Hierdoor kwam ze snel weer vrij, zonder straf. Uit de verhalen van mijn oom en mijn vader weet ik dat ze op Dolle Dinsdag, in september 1944, met haar kinderen en andere NSB-gezinnen naar Duitsland vluchtte. Daar kwam ze terecht in een omgeving die niet op al die NSB’ers zat te wachten. De Duitsers hadden het zonder die vluchtelingen uit Nederland al moeilijk genoeg. Ze werden opgevangen in barakken, er was tekort aan alles. Tot begin 1945 zwierf ze rond, door Duitsland en Nederland. Bij de bevrijding verbleef ze in de Achterhoek waar ze, samen met andere familieleden, gevangen werd genomen.
Vluchtende NSB’ers, op Dolle Dinsdag, bij het station in Den Haag. Mijn oma en haar drie zonen, waaronder mijn vader, waren hier ook bij.
Net als mijn opa zweeg ze. Over de oorlog, over wat erna gebeurde. En vooral over het waarom.
In 2018 kom ik meer te weten, als ik mijn neef Arno spreek. Hij heeft zich dan ook al verdiept in onze familiegeschiedenis. Net zoals ik heeft hij de dossiers in het CABR ingezien. Hij vertelt dat hij als twintigjarige op bezoek was bij onze opa en oma. “Kijk”, zei oma toen ineens, terwijl ze een NSB-speldje tegen haar borst drukte en het daarna aan hem liet zien. “Dat met de Joden had hij niet moeten doen, maar verder had Hitler toch het beste voor met de mensen.” Opa zat erbij, zei niets, maar had een instemmende glimlach op zijn gezicht.
Dit verhaal laat geen ruimte voor twijfel. Mijn opa en oma waren allebei overtuigd van de juistheid van hun keuzes. Ze kozen voor dit leven, mijn oma ook. Een leven waarin Bas in 1941 zijn jonge gezin achterliet voor een opleiding tot SS’er. Daarna werd hij ingezet aan het oostfront, met alle risico’s die daarbij hoorden. Een leven in het teken van het nationaalsocialisme.
Het verleden laat zich niet wegredeneren. In het archief staan de bevindingen van de buitenstaanders die zo snel mogelijk gerechtigheid wilden. Maar vergeleken met het archief, met zijn overvloed aan informatie, heeft het verleden in de herinnering een smalle hals: het is genoeg om een paar voorbeelden te hebben.
Twee, drie uitvergrote details, één of twee momenten. Herinnering wordt overgeleverd, geschiedenis geschreven, en als het eenmaal zwart op wit staat, droomt het van objectiviteit. Herinnering berust niet op feiten, maar op ervaring waar medegevoel bij komt kijken. En deelname. Betrokkenheid.
Mijn oma, met haar armen om mij heen, neuriënd. Mijn oma, met een NSB-speldje liefdevol tegen haar borst gedrukt.
In het dossier van mijn opa in het CABR las ik meermaals dat mijn opa na de oorlog spijt had. “Ziet het onvaderlandslievende van zijn gedrag duidelijk in en heeft er spijt van”, staat in de beschikking van Justitie, bij het ingaan van de proeftijd van mijn opa als hij vrijkomt.
Op de bank bij mijn ouders praat ik in 2017 voor het eerst met mijn familie over het verleden van opa en wat ik heb ontdekt in het archief. De tijden verspringen. We gaan van 1934, naar 1945 en 1951. Ook mijn ouders weten niet precies wat opa heeft gedaan in de oorlog. “Als je ernaar vroeg, werd hij kwaad of hij liep weg,” vertelt mijn moeder. Ik leg in grote lijnen uit wat er in de dossiers staat. Ik stel die ene vraag, waar ik het antwoord al op vermoed. “Had hij spijt, denk je?” Mijn vader staart even in de verte. Dan zegt hij beslist:
“Nee, nee, hij had geen spijt.”