Het verleden is een huis met veel kamers. De bewoners zijn al vertrokken, maar ik weet dat ze er waren, hun sporen zijn er nog: een leeg kopje op tafel, een herkenbare jas aan de kapstok. Ik wil het huis in gaan, zien en begrijpen hoe het was. In het Nationaal Archief ruik ik het verleden, in de oude documenten, als ik een doos open met mappen waarin de getuigenverklaringen van mijn familie zitten. Door het lezen van die verklaringen zet ik een voet over de drempel. Ik stap het huis in, kijk rond in de keuken en de woonkamer. Maar als ik een volgende kamer in wil, slaat de deur voor mijn neus dicht.
In het huis vind ik geen sporen van mijn vader. En over hoe het voor mijn vader zelf was in de oorlog, sprak hij niet. Behalve die ene keer. Begin mei 1987, ik ben twaalf jaar, het is de tijd van herdenking en bevrijding. Mijn vader en ik zijn in onze schuur. Hij is aan het werk, ik dwarrel om hem heen. Ik begin over de oorlog en mijn vader vertelt zowaar. Een paar losse herinneringen, die voor mij moeilijk te begrijpen zijn zonder context.
Hij vertelt dat hij met zijn moeder en broers op de vlucht sloeg op Dolle Dinsdag. Dolle Dinsdag? Paniek en chaos: overal bange mensen. Waar gingen ze heen? Op elkaar gepakt zaten ze in een trein met andere NSB-gezinnen, toen vliegtuigen laag overvlogen en de trein onder vuur namen. Ze renden de trein uit en doken een greppel in. “Waarom deden ze dat?” Mijn vraag klinkt hardop. “Dat weet ik ook niet. Er zaten alleen maar vrouwen en kinderen in die trein”, antwoordt mijn vader. Hij stopt met zijn werk. “Ik trilde over mijn lijf, zo bang was ik.”
Zijn herinneringen komen van een plek ver verwijderd van waar we zijn, in onze schuur in Monster. Mijn vader lijkt zelf ook ver weg. Vanuit die andere wereld komt een nieuwe herinnering opborrelen. “Na de oorlog werd iedereen van de familie opgepakt, ook wij: je oma, ik en oom Herman.” Ze kwamen in een kamp waar hij, tien jaar oud, van zijn moeder en jongere broertje werd gescheiden. Mijn oma verzette zich, schreeuwde. Een paar mannen hielden haar onder schot. Zo werd mijn vader toch van haar weggetrokken.
“Begrijp jij dat nou? Waarom ze dat deden? Dat was toch niet nodig?”
Zijn vragen blijven hangen. Ze nestelen zich in de stiltes en in alle gesprekken die nooit worden gevoerd. Jaren later, als ik volwassen ben, keren ze terug in de blik van de jongen op de foto in het archief, de jongen die nog niet wist welke last hij zou dragen.
Op zoek naar antwoorden richt ik me op de twee herinneringen die mijn vader deelde, die over Dolle Dinsdag en die over het kamp na de oorlog.
Ik probeer me voor te stellen hoe de reis naar Duitsland eruitzag. Uit verschillende bronnen, waaronder aantekeningen van mijn oom Wim, kan ik de route opmaken die de NSB-moeders en hun kinderen aflegden na Dolle Dinsdag. Eenmaal in Duitsland werden de vluchtende NSB’ers opgevangen in geïmproviseerde kampen. Mijn vader kwam in het stadje Verden terecht, in het noorden van Duitsland, waar de Duitse autoriteiten probeerden de stroom Nederlandse vluchtelingen een plek te geven. Ze sliepen in een oude dorpsschool, op strozakken. Eten moest dagelijks gehaald worden in een centrale keuken, op een uur loopafstand. De lokale bevolking bekeek de nieuwkomers met argwaan en weinig sympathie. Ook in de ogen van de Duitsers waren NSB’ers landverraders. In dat vijandige niemandsland raakten de volwassenen gefrustreerd, maakten ruzie, terwijl de kinderen rondzwierven: naar school konden ze niet.
Mijn oma vertelde later dat ze van een afstand hadden gezien hoe Hamburg in vlammen opging onder de geallieerde bombardementen. Ook zij zelf moesten soms midden in de nacht door het donker vluchten voor de bommen naar een boerderij in de buurt, waar een schuilkelder was. Wat voelde mijn vader? Verwondering? Huilde hij? Of was hij stil, omdat hij de omvang van het oorlogsgeweld niet kon bevatten of langzaam gewend raakte aan de dreiging?
Begin 1945 haalde mijn opa zijn gezin terug uit Duitsland, lees ik in de dossiers in het CABR. Hij was inmiddels weg bij de Landwacht in Leiden en zat in de achterhoek bij de Landstorm. Mijn oma en de kinderen werden ondergebracht op een boerderij en daar, in mei 1945, werd het gezin Maan gevangengenomen. Maar wat gebeurde er nadat hij in het kamp werd gescheiden van zijn moeder?
In 2022, drie jaar na zijn overlijden, ga ik opnieuw op zoek in het Nationaal Archief. Met hulp van een archiefmedewerker komt er een dossier boven water van Bureau Jeugdzorg. En zo, na al die jaren, gaat de deur van die ene kamer in het huis toch nog open.
2 reacties
Monique Oostdam
Prachtig opgeschreven Marjonne.
Niko
Mooi stuk. Herkenbaar.