9: Opvang of straf?

In 2022 overhandigt een medewerker van het Nationaal Archief mij een dun mapje met papieren van Bureau Jeugdzorg. Er zitten drie velletjes in, meer niet. Het zijn de enige concrete sporen van mijn vader in het archief. Deze paar documenten moeten onthullen wat er met hem gebeurde na de oorlog, toen zijn beide ouders vastzaten wegens collaboratie.

In de turbulente tijd na de bevrijding, als hele gezinnen van collaborateurs opgepakt worden en in kampen vastgehouden, belandt hij als tienjarige in een tijdelijk opvanghuis in Utrecht. Zijn moeder en jongere broertje zitten in Vlaardingen. Niemand lijkt de eerste maanden na de oorlog te weten wat er met NSB-kinderen moet gebeuren. Sommigen worden bij familie ondergebracht, anderen komen in een pleeggezin of een tehuis terecht. Eén ding staat vast: de kinderen moeten weg uit de interneringskampen waar de vaders en moeders zitten.

In 1987 deelt mijn vader zijn herinnering van dat moment met mij. Hij vertelt hoe hij onder luid protest van zijn moeder bij haar weg werd weggehaald. De vraag die hij op dat moment aan mij stelt, is de vraag van een nog altijd tienjarig kind dat niet begrijpt wat hem overkomt. “Waarom was dat nou nodig?”

Het antwoord ligt misschien in de chaos van die periode en, zoals wel vaker: in goede bedoelingen die in de praktijk minder goed uitpakken. Maria Kamphuis, één van de vrouwen die zich ontfermt over de NSB-kinderen, probeert hen zo snel mogelijk uit de kampen te krijgen. Dat is de richtlijn: kinderen horen niet tussen volwassen gevangenen. De omstandigheden zijn bovendien slecht, op gebied van hygiëne, maar ook vanwege de bewaking. Er is veel geweld tegen de gevangengenomen NSB’ers.

Pas veel later, als Kamphuis terugblikt op haar keuzes, vraagt ze zich af of ze zich niet te strikt aan die opdracht heeft gehouden. Misschien had ze meer vrijheid kunnen nemen, had ze kunnen zoeken naar manieren om moeders en kinderen bij elkaar te houden. In de jaren tachtig schrijft ze: “Over het uit elkaar halen van moeders en kinderen bestonden in die tijd simpelweg heel andere ideeën.” Kamphuis schrijft ook dat de juridische positie van de kinderen van NSB’ers en de bestuurlijke verantwoordelijkheden zo ingewikkeld waren, dat er op allerlei niveaus eindeloos wordt vergaderd. Dit alles gaat over de hoofden van de betrokken kinderen heen, die zichzelf maar moeten zien te redden in de verwarrende omstandigheden.

Wat betekent dit alles voor mijn vader?

Hij verhuist van tehuis naar tehuis. In oktober 1945 komt hij terecht in een  opvanghuis in Utrecht. Weet hij waarom hij daar is? De instellingen waar hij verblijft, zijn geïmproviseerd. Ze worden gerund door vrijwilligers die er met weinig middelen iets van proberen te maken. De dagen zijn kaal en leeg, zonder school of familie, en zonder houvast. Getuigen beschrijven later de erbarmelijke situatie in die tehuizen: ondervoeding, gebrekkige medische zorg, soms pesterijen door leidsters of buurtbewoners. En veel straf en slaag.

In het dunne dossier van Jeugdzorg over Ary Maan ontbreekt deze aanvullende informatie. Ik hoopte een kamer te betreden, waarin ik kan rondkijken in het verleden van mijn vader. Maar ik kom niet verder dan het sleutelgat. Wat ik zie als ik daar doorheen kijk, zijn de feiten: plaatsen, data, beslissingen van instanties. Hoe het voelde, hoe het was om daar te zijn, blijft verborgen. Misschien wilde mijn vader die kamer zelf ook niet in.

Later, als mensen vragen of hij last heeft van het verleden, haalt hij zijn schouders op. “Nee hoor, daar heb ik geen last van.”

Het zijn formele teksten in die documenten, niet bestemd voor het oog van buitenstaanders, en al helemaal niet voor het oog van een dochter. Maar, alsof ze daarop hebben gewacht, lichten ze op bij de eerste lezing. En dan zie ik de bange, onzekere Ary voor me, alsof niemand hem zo kan zien en bij zijn naam kan noemen.

Er zijn in 1945 een paar mensen die zich het lot van kinderen zoals mijn vader aantrekken. In Vrij Nederland luidt Jo Boer de noodklok over de situatie in de tehuizen. Ze beschrijft hoe kinderen ‘lusteloos omhangen, niet meer praten, niet spelen, maar stil in een hoekje zitten’. ‘Er waren oudere kinderen, die alles bewuster meemaakten en zich angstig afvragen: “wat zal er gebeuren met mijn vader, mijn moeder? Waar zijn ze?”

Ze waarschuwt dat de nasleep van de oorlog een nieuwe ramp dreigt te veroorzaken. Deze keer in het hoofd en hart van de kinderen die zonder schuld hun veiligheid en zekerheid zijn kwijtgeraakt. ‘Deze toestanden kunnen en moeten niet voortduren,’ schrijft ze. ‘Want wie worden hier de dupe? Kinderen, die onschuldig zijn. Een groep die zich niet kan verweren, die niet in opstand kan komen tegen dit onverdiende lot.’

Hoeveel van deze dingen slaan op mijn vader? Valt hij stil, zoals de kinderen die Boer beschrijft? Dwaalt hij rond in die tehuizen, zonder iets omhanden, zonder school, zonder toekomstbeeld? Heeft hij iemand om mee te praten?

Ondertussen heeft mijn oma geen idee van wat er met Ary is gebeurd. In februari 1946 vraagt een ambtenaar in Rotterdam informatie op over zijn verblijf. Ik lees in de brief dat mijn oma op zoek is naar hem, ook al zit ze zelf nog vast. Mijn vader weet waarschijnlijk niet dat ze hem probeert terug te krijgen.

In april komt ze vrij. Er is besloten dat ze niet wordt vervolgd om haar NSB-verleden. Ze gaat direct naar Utrecht, naar mijn vader. In het verslag van Jeugdzorg, een maand later, staat dat Ary en zijn moeder tijdelijk bij een oom wonen. Ze hebben nog geen eigen huis, maar ze zijn weer samen. In de zomer van 1946 bezoekt Jeugdzorg hen opnieuw. Ze wonen inmiddels in Den Haag. Jeugdzorg stelt vast dat het goed gaat. Mijn oma zorgt voor hem zoals een moeder hoort te doen. “Van nationaalsocialistische indoctrinatie lijkt geen sprake”, staat erbij. Jeugdzorg ziet geen reden nog langer toezicht te houden. Een beslissing op papier, een stempel en een handtekening, en daarmee is zijn status als ‘kind van NSB’ers’ niet langer een zaak van de overheid. Het dossier wordt gesloten.

Maar het verleden valt niet zo gemakkelijk af te sluiten. De kamerdeur blijft weliswaar dicht, door kieren en gaten sijpelt de geschiedenis heen. Het zijn de nabestaanden, – de dochters, zonen, klein- en achterkleinkinderen – die van de snippers een samenhangend verhaal proberen te maken.

Nu ik zelf na jaren onderzoek en speuren in het archief terugkijk, begrijp ik dat mijn verhaal nooit echt ging om mijn opa in zijn SS-uniform. Het draaide uiteindelijk om mijn vader en mij, en om dat jongetje van 10 dat zo alleen was met zijn vragen en onbegrip.

Reacties

Laat de eerste reactie achter


9: Opvang of straf?

In 2022 komt met hulp van een medewerker van het Nationaal Archief een dossier boven water van mijn vader. Na de oorlog werd hij als NSB-kind gescheiden van zijn ouders. Wat er precies met hem gebeurde toen en waarom het zo ging, heeft hij zelf nooit begrepen. Lukt het mij wel?

In 2022 overhandigt een medewerker van het Nationaal Archief mij een dun mapje met papieren van Bureau Jeugdzorg. Er zitten drie velletjes in, meer niet. Het zijn de enige concrete sporen van mijn vader in het archief. Deze paar documenten moeten onthullen wat er met hem gebeurde na de oorlog, toen zijn beide ouders vastzaten wegens collaboratie.

In de turbulente tijd na de bevrijding, als hele gezinnen van collaborateurs opgepakt worden en in kampen vastgehouden, belandt hij als tienjarige in een tijdelijk opvanghuis in Utrecht. Zijn moeder en jongere broertje zitten in Vlaardingen. Niemand lijkt de eerste maanden na de oorlog te weten wat er met NSB-kinderen moet gebeuren. Sommigen worden bij familie ondergebracht, anderen komen in een pleeggezin of een tehuis terecht. Eén ding staat vast: de kinderen moeten weg uit de interneringskampen waar de vaders en moeders zitten.

In 1987 deelt mijn vader zijn herinnering van dat moment met mij. Hij vertelt hoe hij onder luid protest van zijn moeder bij haar weg werd weggehaald. De vraag die hij op dat moment aan mij stelt, is de vraag van een nog altijd tienjarig kind dat niet begrijpt wat hem overkomt. “Waarom was dat nou nodig?”

Het antwoord ligt misschien in de chaos van die periode en, zoals wel vaker: in goede bedoelingen die in de praktijk minder goed uitpakken. Maria Kamphuis, één van de vrouwen die zich ontfermt over de NSB-kinderen, probeert hen zo snel mogelijk uit de kampen te krijgen. Dat is de richtlijn: kinderen horen niet tussen volwassen gevangenen. De omstandigheden zijn bovendien slecht, op gebied van hygiëne, maar ook vanwege de bewaking. Er is veel geweld tegen de gevangengenomen NSB’ers.

Pas veel later, als Kamphuis terugblikt op haar keuzes, vraagt ze zich af of ze zich niet te strikt aan die opdracht heeft gehouden. Misschien had ze meer vrijheid kunnen nemen, had ze kunnen zoeken naar manieren om moeders en kinderen bij elkaar te houden. In de jaren tachtig schrijft ze: “Over het uit elkaar halen van moeders en kinderen bestonden in die tijd simpelweg heel andere ideeën.” Kamphuis schrijft ook dat de juridische positie van de kinderen van NSB’ers en de bestuurlijke verantwoordelijkheden zo ingewikkeld waren, dat er op allerlei niveaus eindeloos wordt vergaderd. Dit alles gaat over de hoofden van de betrokken kinderen heen, die zichzelf maar moeten zien te redden in de verwarrende omstandigheden.

Wat betekent dit alles voor mijn vader?

Hij verhuist van tehuis naar tehuis. In oktober 1945 komt hij terecht in een  opvanghuis in Utrecht. Weet hij waarom hij daar is? De instellingen waar hij verblijft, zijn geïmproviseerd. Ze worden gerund door vrijwilligers die er met weinig middelen iets van proberen te maken. De dagen zijn kaal en leeg, zonder school of familie, en zonder houvast. Getuigen beschrijven later de erbarmelijke situatie in die tehuizen: ondervoeding, gebrekkige medische zorg, soms pesterijen door leidsters of buurtbewoners. En veel straf en slaag.

In het dunne dossier van Jeugdzorg over Ary Maan ontbreekt deze aanvullende informatie. Ik hoopte een kamer te betreden, waarin ik kan rondkijken in het verleden van mijn vader. Maar ik kom niet verder dan het sleutelgat. Wat ik zie als ik daar doorheen kijk, zijn de feiten: plaatsen, data, beslissingen van instanties. Hoe het voelde, hoe het was om daar te zijn, blijft verborgen. Misschien wilde mijn vader die kamer zelf ook niet in.

Later, als mensen vragen of hij last heeft van het verleden, haalt hij zijn schouders op. “Nee hoor, daar heb ik geen last van.”

Het zijn formele teksten in die documenten, niet bestemd voor het oog van buitenstaanders, en al helemaal niet voor het oog van een dochter. Maar, alsof ze daarop hebben gewacht, lichten ze op bij de eerste lezing. En dan zie ik de bange, onzekere Ary voor me, alsof niemand hem zo kan zien en bij zijn naam kan noemen.

Er zijn in 1945 een paar mensen die zich het lot van kinderen zoals mijn vader aantrekken. In Vrij Nederland luidt Jo Boer de noodklok over de situatie in de tehuizen. Ze beschrijft hoe kinderen ‘lusteloos omhangen, niet meer praten, niet spelen, maar stil in een hoekje zitten’. ‘Er waren oudere kinderen, die alles bewuster meemaakten en zich angstig afvragen: “wat zal er gebeuren met mijn vader, mijn moeder? Waar zijn ze?”

Ze waarschuwt dat de nasleep van de oorlog een nieuwe ramp dreigt te veroorzaken. Deze keer in het hoofd en hart van de kinderen die zonder schuld hun veiligheid en zekerheid zijn kwijtgeraakt. ‘Deze toestanden kunnen en moeten niet voortduren,’ schrijft ze. ‘Want wie worden hier de dupe? Kinderen, die onschuldig zijn. Een groep die zich niet kan verweren, die niet in opstand kan komen tegen dit onverdiende lot.’

Hoeveel van deze dingen slaan op mijn vader? Valt hij stil, zoals de kinderen die Boer beschrijft? Dwaalt hij rond in die tehuizen, zonder iets omhanden, zonder school, zonder toekomstbeeld? Heeft hij iemand om mee te praten?

Ondertussen heeft mijn oma geen idee van wat er met Ary is gebeurd. In februari 1946 vraagt een ambtenaar in Rotterdam informatie op over zijn verblijf. Ik lees in de brief dat mijn oma op zoek is naar hem, ook al zit ze zelf nog vast. Mijn vader weet waarschijnlijk niet dat ze hem probeert terug te krijgen.

In april komt ze vrij. Er is besloten dat ze niet wordt vervolgd om haar NSB-verleden. Ze gaat direct naar Utrecht, naar mijn vader. In het verslag van Jeugdzorg, een maand later, staat dat Ary en zijn moeder tijdelijk bij een oom wonen. Ze hebben nog geen eigen huis, maar ze zijn weer samen. In de zomer van 1946 bezoekt Jeugdzorg hen opnieuw. Ze wonen inmiddels in Den Haag. Jeugdzorg stelt vast dat het goed gaat. Mijn oma zorgt voor hem zoals een moeder hoort te doen. “Van nationaalsocialistische indoctrinatie lijkt geen sprake”, staat erbij. Jeugdzorg ziet geen reden nog langer toezicht te houden. Een beslissing op papier, een stempel en een handtekening, en daarmee is zijn status als ‘kind van NSB’ers’ niet langer een zaak van de overheid. Het dossier wordt gesloten.

Maar het verleden valt niet zo gemakkelijk af te sluiten. De kamerdeur blijft weliswaar dicht, door kieren en gaten sijpelt de geschiedenis heen. Het zijn de nabestaanden, – de dochters, zonen, klein- en achterkleinkinderen – die van de snippers een samenhangend verhaal proberen te maken.

Nu ik zelf na jaren onderzoek en speuren in het archief terugkijk, begrijp ik dat mijn verhaal nooit echt ging om mijn opa in zijn SS-uniform. Het draaide uiteindelijk om mijn vader en mij, en om dat jongetje van 10 dat zo alleen was met zijn vragen en onbegrip.

Delen is lief

Laat de eerste reactie achter


Alle artikelen

Wil je mail bij een nieuw artikel?

Vul je naam en e-mailadres in en ik stuur je een mail als er een nieuw verhaal is.

Mail bij nieuw artikel
Geen spam. Beloofd. En je krijgt nog een e-mail om je aanmelding te bevestigen