Cultuurdefensie en de normalisering van fascistoïde retoriek

Dat Gouke Moes een onderwijsminister was met bijzondere opvattingen over de democratische rechtsstaat, een nogal cruciaal onderwerp voor een minister, werd al duidelijk toen hij publiekelijk druk uitoefende op de Radboud Universiteit om een docent te ontslaan. De universiteit en de betreffende docent vonden dat Moes daarmee zijn positie misbruikte, Moes zelf meende dat hij slechts wat stappen zette ‘op de escalatieladder’. Omfloerste taal voor: even kijken hoever ik kan gaan. Omdat Moes gewiekst genoeg is om te weten wat hij beter niet kan zeggen, liep de aangifte tegen hem wegens ambtsmisbruik op niets uit.

Nu Moes geen minister meer is, zet hij een volgende stap, zo kondigde hij aan op X. Hij heeft zich als vicevoorzitter aangesloten bij de Stichting Democratische Vernieuwing, waar hij zich zal bezighouden met een proefproces tegen de Nederlandse staat.

Dit initiatief loopt al langer. Voorzitter van de stichting, Andrea Speijer-Beek (die zich graag Speyerbach noemt), heeft de krant er al mee gehaald en zat als gast van Wierd Duk in het programma Nieuws van de Dag. De Volkskrant besteedde afgelopen dagen aandacht aan het nieuwtje van Moes en gebruikte daarbij de kop: ‘ex-minister Gouke Moes wil Nederlandse cultuur beschermen door middel van rechtszaak tegen de staat’.

Wie een beetje is ingevoerd in de retoriek van extreemrechts weet dat wanneer dergelijke politici spreken over het beschermen van ‘onze cultuur’, het meestal gaat over een mythische wereld en een al even mythisch verleden. Het leek me interessant om eens een kijkje te nemen op de website van de Stichting Democratische Vernieuwing om te lezen wat zij hier zelf over zeggen. 

Als je kijkt naar de doelstellingen van deze stichting en de redenering achter het proefproces, zie je opnieuw omfloerste taal. Maar wat er achter die taal schuilgaat, wordt duidelijk zodra we haar ontleden. Op de website van de Stichting Democratische Vernieuwing staat bij de uitleg over de rechtszaak Cultuurdefensie onder meer het volgende:

IMG

Allereerst de naam van de stichting: democratische vernieuwing. Die formulering is al een belangrijk retorisch instrument. Door het initiatief te framen als een bijdrage aan de democratie wordt het betoog onmiddellijk geplaatst binnen een moreel legitiem kader. Deze formele, technocratische taal geeft het geheel een degelijke uitstraling. Daardoor lijkt het betoog vooral een procedurele kwestie, terwijl er in werkelijkheid een duidelijke politieke en ideologische agenda wordt uitgezet.

In de tekst wordt de ‘reeds aanwezige bevolking’ gepresenteerd als een groep wier belangen systematisch genegeerd zouden worden door politiek en rechtspraak. De formulering dat burgers ervaren dat hun zorgen ‘juridisch geen plaats krijgen’, suggereert dat een meerderheid of dominante groep het slachtoffer is van een systeem dat hen niet beschermt.

Dit retorische mechanisme staat bekend als omgekeerd slachtofferschap en komt veel voor in extreemrechtse discoursen. Groepen die historisch gezien niet structureel worden uitgesloten, worden toch neergezet als slachtoffers: zíj zijn het die door instituties of elites worden benadeeld, niet de minderheden. Zo wordt een gevoel van onrecht en urgentie gecreëerd. Dat er geen sprake is van feitelijke marginalisering doet voor deze retoriek niet ter zake.

Vervolgens wordt een valse causaliteit aangebracht. De tekst stelt dat de leefomgeving van burgers ‘ingrijpend verandert door massa-immigratie’. Hier worden complexe maatschappelijke ontwikkelingen teruggebracht tot één dominante oorzaak. Het woord massa-immigratie is daarbij alarmistisch, en een groteske uitvergroting. Empirische onderbouwing blijft hier weer opvallend afwezig. In een vereenvoudigde causaliteit wordt slechts één factor als doorslaggevend gepresenteerd. 

De retorische kracht van dit soort redeneringen ligt in hun schijnlogica: omdat er een herkenbaar probleem wordt benoemd (bijvoorbeeld woningnood) lijkt de aangewezen oorzaak plausibel, ook wanneer die analytisch nauwelijks onderbouwd is.

Het doel van de zaak, met de veelzeggende naam Cultuurdefensie, is erkenning dat ‘de bestaande bevolking’ recht heeft op bescherming van ‘cultuur, identiteit en leefwijze’. Door cultuur te presenteren als iets dat beschermd moet worden tegen externe invloeden, wordt zij voorgesteld als een relatief vast, homogeen en kwetsbaar geheel. In werkelijkheid zijn culturen historisch gezien voortdurend in beweging en het resultaat van uitwisseling, migratie en verandering.

Binnen het nativisme wordt cultuur echter geframed als een stabiele erfenis van een bepaalde autochtone bevolking. Dit essentialistische cultuurbegrip vormt historisch een kernidee in veel nationalistische en fascistoïde ideologieën. De retoriek van ‘bescherming’ suggereert daarmee niet alleen dat er een collectieve identiteit bestaat die juridisch kan worden afgebakend, maar ook dat deze identiteit gevaar loopt en dus actief verdedigd moet worden.

Opvallend is dat de tekst nergens expliciet spreekt over het tegenhouden van migratie of het uitsluiten van specifieke groepen. Maar wanneer begrippen als ‘bestaande bevolking’, ‘nieuwkomers’ en de noodzaak om ‘cultuur, identiteit en leefwijze te beschermen’ steeds opnieuw in ogenschijnlijk redelijke en juridische taal worden gebruikt, kan dit een proces van normalisering op gang brengen. Het wij-zij-kader werkt normerend: het definieert impliciet wie tot de legitieme gemeenschap behoort en wie daarbuiten staat. Juist omdat deze formuleringen niet openlijk spreken over uitsluiting, maar over bescherming en continuïteit, kunnen zij gemakkelijker worden geaccepteerd in het publieke debat.

Heel gewiekst dus. 

Historisch gezien begint uitsluiting zelden met expliciete vijandbeelden. Zij begint met een subtiele verschuiving van begrippen en taalgebruik waardoor het idee erin kan sluipen dat bepaalde groepen minder vanzelfsprekend tot de gemeenschap behoren. Het gevaar ligt in de schijnbare redelijkheid: zij maakt een exclusief wij-begrip voorstelbaar en daarmee uiteindelijk ook politiek uitvoerbaar.

Door zich openlijk aan deze stichting te verbinden zet Gouke Moes geen stap op een escalatieladder; hij lijkt eerder begonnen aan een race to the bottom. Waar die precies zal eindigen, en wie hij allemaal mee zal nemen in zijn val, is nog onduidelijk. Wat wél duidelijk is, is dat we ons moeten blijven wapenen tegen fascistoïde retoriek. 

Wil je mail bij een nieuw verhaal?

Vul dan je e-mailadres en naam in. Je kunt altijd weer uitschrijven.

Reacties

Plaats de eerste reactie


Cultuurdefensie en de normalisering van fascistoïde retoriek

Onder de noemer Cultuurdefensie wil de Stichting Democratische Vernieuwing een proefproces beginnen tegen de Nederlandse staat. Ex-onderwijsminister Gouke Moes is vicevoorzitter geworden van deze stichting. Als je de argumentatie op de website nauwkeurig leest, zie je een klassiek wij-zij-verhaal, verpakt in juridische en ogenschijnlijk redelijke taal.

IMG

Dat Gouke Moes een onderwijsminister was met bijzondere opvattingen over de democratische rechtsstaat, een nogal cruciaal onderwerp voor een minister, werd al duidelijk toen hij publiekelijk druk uitoefende op de Radboud Universiteit om een docent te ontslaan. De universiteit en de betreffende docent vonden dat Moes daarmee zijn positie misbruikte, Moes zelf meende dat hij slechts wat stappen zette ‘op de escalatieladder’. Omfloerste taal voor: even kijken hoever ik kan gaan. Omdat Moes gewiekst genoeg is om te weten wat hij beter niet kan zeggen, liep de aangifte tegen hem wegens ambtsmisbruik op niets uit.

Nu Moes geen minister meer is, zet hij een volgende stap, zo kondigde hij aan op X. Hij heeft zich als vicevoorzitter aangesloten bij de Stichting Democratische Vernieuwing, waar hij zich zal bezighouden met een proefproces tegen de Nederlandse staat.

Dit initiatief loopt al langer. Voorzitter van de stichting, Andrea Speijer-Beek (die zich graag Speyerbach noemt), heeft de krant er al mee gehaald en zat als gast van Wierd Duk in het programma Nieuws van de Dag. De Volkskrant besteedde afgelopen dagen aandacht aan het nieuwtje van Moes en gebruikte daarbij de kop: ‘ex-minister Gouke Moes wil Nederlandse cultuur beschermen door middel van rechtszaak tegen de staat’.

Wie een beetje is ingevoerd in de retoriek van extreemrechts weet dat wanneer dergelijke politici spreken over het beschermen van ‘onze cultuur’, het meestal gaat over een mythische wereld en een al even mythisch verleden. Het leek me interessant om eens een kijkje te nemen op de website van de Stichting Democratische Vernieuwing om te lezen wat zij hier zelf over zeggen. 

Als je kijkt naar de doelstellingen van deze stichting en de redenering achter het proefproces, zie je opnieuw omfloerste taal. Maar wat er achter die taal schuilgaat, wordt duidelijk zodra we haar ontleden. Op de website van de Stichting Democratische Vernieuwing staat bij de uitleg over de rechtszaak Cultuurdefensie onder meer het volgende:

IMG

Allereerst de naam van de stichting: democratische vernieuwing. Die formulering is al een belangrijk retorisch instrument. Door het initiatief te framen als een bijdrage aan de democratie wordt het betoog onmiddellijk geplaatst binnen een moreel legitiem kader. Deze formele, technocratische taal geeft het geheel een degelijke uitstraling. Daardoor lijkt het betoog vooral een procedurele kwestie, terwijl er in werkelijkheid een duidelijke politieke en ideologische agenda wordt uitgezet.

In de tekst wordt de ‘reeds aanwezige bevolking’ gepresenteerd als een groep wier belangen systematisch genegeerd zouden worden door politiek en rechtspraak. De formulering dat burgers ervaren dat hun zorgen ‘juridisch geen plaats krijgen’, suggereert dat een meerderheid of dominante groep het slachtoffer is van een systeem dat hen niet beschermt.

Dit retorische mechanisme staat bekend als omgekeerd slachtofferschap en komt veel voor in extreemrechtse discoursen. Groepen die historisch gezien niet structureel worden uitgesloten, worden toch neergezet als slachtoffers: zíj zijn het die door instituties of elites worden benadeeld, niet de minderheden. Zo wordt een gevoel van onrecht en urgentie gecreëerd. Dat er geen sprake is van feitelijke marginalisering doet voor deze retoriek niet ter zake.

Vervolgens wordt een valse causaliteit aangebracht. De tekst stelt dat de leefomgeving van burgers ‘ingrijpend verandert door massa-immigratie’. Hier worden complexe maatschappelijke ontwikkelingen teruggebracht tot één dominante oorzaak. Het woord massa-immigratie is daarbij alarmistisch, en een groteske uitvergroting. Empirische onderbouwing blijft hier weer opvallend afwezig. In een vereenvoudigde causaliteit wordt slechts één factor als doorslaggevend gepresenteerd. 

De retorische kracht van dit soort redeneringen ligt in hun schijnlogica: omdat er een herkenbaar probleem wordt benoemd (bijvoorbeeld woningnood) lijkt de aangewezen oorzaak plausibel, ook wanneer die analytisch nauwelijks onderbouwd is.

Het doel van de zaak, met de veelzeggende naam Cultuurdefensie, is erkenning dat ‘de bestaande bevolking’ recht heeft op bescherming van ‘cultuur, identiteit en leefwijze’. Door cultuur te presenteren als iets dat beschermd moet worden tegen externe invloeden, wordt zij voorgesteld als een relatief vast, homogeen en kwetsbaar geheel. In werkelijkheid zijn culturen historisch gezien voortdurend in beweging en het resultaat van uitwisseling, migratie en verandering.

Binnen het nativisme wordt cultuur echter geframed als een stabiele erfenis van een bepaalde autochtone bevolking. Dit essentialistische cultuurbegrip vormt historisch een kernidee in veel nationalistische en fascistoïde ideologieën. De retoriek van ‘bescherming’ suggereert daarmee niet alleen dat er een collectieve identiteit bestaat die juridisch kan worden afgebakend, maar ook dat deze identiteit gevaar loopt en dus actief verdedigd moet worden.

Opvallend is dat de tekst nergens expliciet spreekt over het tegenhouden van migratie of het uitsluiten van specifieke groepen. Maar wanneer begrippen als ‘bestaande bevolking’, ‘nieuwkomers’ en de noodzaak om ‘cultuur, identiteit en leefwijze te beschermen’ steeds opnieuw in ogenschijnlijk redelijke en juridische taal worden gebruikt, kan dit een proces van normalisering op gang brengen. Het wij-zij-kader werkt normerend: het definieert impliciet wie tot de legitieme gemeenschap behoort en wie daarbuiten staat. Juist omdat deze formuleringen niet openlijk spreken over uitsluiting, maar over bescherming en continuïteit, kunnen zij gemakkelijker worden geaccepteerd in het publieke debat.

Heel gewiekst dus. 

Historisch gezien begint uitsluiting zelden met expliciete vijandbeelden. Zij begint met een subtiele verschuiving van begrippen en taalgebruik waardoor het idee erin kan sluipen dat bepaalde groepen minder vanzelfsprekend tot de gemeenschap behoren. Het gevaar ligt in de schijnbare redelijkheid: zij maakt een exclusief wij-begrip voorstelbaar en daarmee uiteindelijk ook politiek uitvoerbaar.

Door zich openlijk aan deze stichting te verbinden zet Gouke Moes geen stap op een escalatieladder; hij lijkt eerder begonnen aan een race to the bottom. Waar die precies zal eindigen, en wie hij allemaal mee zal nemen in zijn val, is nog onduidelijk. Wat wél duidelijk is, is dat we ons moeten blijven wapenen tegen fascistoïde retoriek. 

Delen is lief

Plaats de eerste reactie


Alle artikelen

Wil je mail bij een nieuw artikel?

Vul je naam en e-mailadres in en ik stuur je een mail als er een nieuw verhaal is.

Mail bij nieuw artikel
Geen spam. Beloofd. En je krijgt nog een e-mail om je aanmelding te bevestigen