In 2017 kopte het Algemeen Dagblad: “Westlander was lijfwacht Mussert”. In het artikel werden geen namen genoemd, maar ik wist meteen dat het over mijn oudoom Wim moest gaan. Het stuk citeerde Philip van den Berg, een onderzoeker die promoveerde op de geschiedenis van Westlandse NSB’ers. Hij had zich verdiept in talloze getuigenverklaringen uit de dossiers van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) en concludeerde dat het merendeel van de Westlandse NSB’ers ‘gematigd’ was. Volgens Van den Berg speelde antisemitisme nauwelijks een rol; sociaaleconomische overwegingen zouden de belangrijkste drijfveer zijn geweest om de overstap naar het fascisme te maken.
Radicalisering
Deze conclusie over ‘gematigde’ NSB’ers is naar mijn idee problematisch, omdat ze voornamelijk steunt op naoorlogse verklaringen die werden afgelegd toen de verdachten zich moesten verantwoorden voor hun daden. Ook mijn eigen familieleden, mijn overgrootvader Willem en opa Bas, rechtvaardigden tijdens hun verhoren hun lidmaatschap door te wijzen op ‘sociale misstanden’. Maar deze verklaringen verhullen meer dan ze onthullen. Ze negeren bijvoorbeeld hoe NSB-leden steeds verder radicaliseerden naarmate de jaren vorderden. Na het lidmaatschap van vader Willem en zoon Bas in 1934 ontwikkelde mijn familie zich tot overtuigde nationaalsocialisten. Hun daden tonen een patroon van toenemende radicalisering aan, dat haaks staat op Van den Bergs conclusies.
In NSB- propaganda en in artikelen in de eigen kranten komen na 1934 steeds meer rabiaat antisemitische teksten voor. Tijdens vormingswerk van nieuwe leden werd tijdens de oorlog het volgende overgebracht over het ‘jodenvrij’ maken van Nederland: “Hoe eerder zij verwezenlijkt wordt hoe beter het voor alle partijen zal zijn.” Dat antisemitisme in eerste instantie geen grote rol speelde bij het lidmaatschap sluit niet uit dat het in latere jaren wel een grotere plek innam. Mijn familie zag in deze steeds extremere uitingen van antisemitisme in ieder geval geen reden om zich los te maken van de beweging en hun lidmaatschap te heroverwegen. Integendeel, ze raakten steeds meer betrokken, vooral tijdens de oorlogsjaren.
Oom Wim
Lijfwacht van Mussert, mijn oudoom Wim, was de jongste van het gezin. Net als zijn vader en broers werd hij na de oorlog opgepakt en verhoord. Hij verklaarde dat hij sterk was gevormd door zijn opvoeding in een nationaalsocialistisch gezin. “Het gezin Maan was, met uitzondering van mijn zus, overtuigd nationaalsocialistisch”, vertelde hij in 1945. Zijn vader betaalde zelfs de contributie van zijn lidmaatschap. Wim werd lid van de NSB in 1940 en sloot zich aan bij de Jeugdstorm, waar hij werd opgeleid in nationaalsocialistisch gedachtengoed. Hij was toen 18 jaar oud.
In februari 1942 ontving Wim een uitnodiging van de lokale Kringleider om dienst te nemen als lijfwacht van Anton Mussert. Hij stemde toe en begon aan een intensieve training. Deze bestond uit schietoefeningen, theorielessen over de omgangsvormen van een lijfwacht en praktische zaken. Daaronder viel hoe je snel een portier opent of een reisdeken over de benen van de leider legt.
In maart 1942 werd Wim officieel ingedeeld bij Musserts lijfwacht: hij was één van een groep van 15 lijfwachten. Hij droeg een zwart partij-uniform met gouden accenten en werd bewapend met een pistool. Aanvankelijk werd hij gestationeerd in Utrecht, waar hij verantwoordelijk was voor de bewaking van Musserts woonhuis. Later trad hij op bij NSB-bijeenkomsten. Daar had hij een belangrijke verantwoordelijkheid, namelijk het aanreiken van een glas water aan de leider als hij dorstig was geworden bij het spreken.
Na een jaar werd Wim bevorderd tot wachtmeester en kreeg hij een leidinggevende functie binnen de lijfwacht. In die hoedanigheid ging hij mee met Anton Mussert naar de begrafenis van Fritz Schmidt, die van 1940 tot aan zijn dood Generalkommissariat zur besonderen Verwendung was en daarmee één van de hoogste nazi-functionarissen in Nederland tijdens de bezetting. In 1944 stopte Wim als lijfwacht, door interne strubbelingen, die tamelijk kenmerkend waren voor de NSB. Hij ging in de maanden vlak voor de bevrijding weer aan het werk in de kassen in het bedrijf van zijn vader.
Het oordeel
Het tribunaal oordeelde mild over Wim. Hij werd gezien als een ‘verblinde jongeman’, iemand die door zijn jonge leeftijd en de invloed van zijn opvoeding gemakkelijk vatbaar was geweest voor de ideologie van de NSB. Er werd besloten hem geen straf op te leggen, met het argument dat hij zich nog nuttig zou kunnen maken voor de maatschappij.
En dat gebeurde. Wim kwam in september 1946 weer vrij en vestigde zich in Den Haag. Daar zou hij de rest van zijn leven werkzaam zijn als meubelrestaurateur.