Herdenken

De Amerikaanse antropoloog Morris Edward Opler waarschuwde er in 1945 voor dat Hitler weliswaar verslagen was, maar het idee Hitler niet. Met geweld was het nazi-regime omvergeworpen, maar daarmee was de ideologie niet ontkracht.

Nederland is ruw ontwaakt uit een droombeeld dat we lang koesterden van onze geschiedenis en van onszelf. Dat droombeeld omvatte de overtuiging dat het kwaad van de ander kwam, én dat wij van oudsher een tolerant en vrij volk zijn. Wij laten ons niet knechten en zwichten niet voor fascisme. Dat we uit deze droom zijn wakker geschud, komt door nieuwe inzichten in ons eigen verleden van daderschap en actuele ontwikkelingen in onze politiek en samenleving.

Maar zijn we wel echt wakker, of sussen we onszelf nog steeds in slaap?

In oktober 2024 bezocht ik het museum Topographie des Terrors in Berlijn. Het ligt op een plek die zwaar beladen is met geschiedenis: ooit stond hier het hoofdkwartier van de Gestapo en de SS. Na afloop van mijn bezoek sprak ik met een gids. Hij vertelde over zijn ervaringen met het rondleiden van verschillende groepen bezoekers. Er zijn volgens hem twee typen nabestaanden die het museum met angst betreden: zij die vrezen een bekende te herkennen tussen de slachtoffers, en zij die bang zijn een familielid te herkennen tussen de daders. Duitsland, zei de gids, is een land vol daders. Die mogelijkheid, om een familielid te herkennen, maakt bezoekers kwetsbaar.

Die kwetsbaarheid voelde ik zelf ook. Als kleinkind van een Nederlandse SS’er en NSB’er sluit mijn ervaring aan bij de Duitse ervaring. In Topographie des Terrors stond ik stil voor een reeks foto’s van de Wiking-Divisie. Mijn ogen gleden zoekend langs de gezichten. Zou ik hier mijn oudoom Goof herkennen, die zich als SS’er bij deze divisie had aangesloten? Het was een beklemmend moment: het besef dat ik niet slechts een toeschouwer was, maar via mijn familie onderdeel van deze duistere geschiedenis. Tijdens het gesprek met de gids voelde ik me begrepen. Hij benoemde mijn gevoel; ik hoefde niets uit te leggen. In Nederland is dat nog altijd zeldzaam.

In het CABR heb ik net als vele anderen geprobeerd vat te krijgen op mijn familiegeschiedenis. Naast formele registraties vond ik persoonlijke sporen, zoals getuigenverklaringen en foto’s van mijn opa en mijn vader. Maar met al deze documenten lukte het me toch niet het verleden volledig te reconstrueren. Wat ontbreekt, is soms net zo veelzeggend als wat is vastgelegd.

Die spanning tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen wat is doorgegeven, verloren gegaan of verzwegen, is niet alleen iets persoonlijks. Ze weerspiegelt onze bredere, nationale worsteling met een verleden dat ongemakkelijker is dan we lang hebben willen zien. In veel families met een vergelijkbaar verleden als het mijne is nooit gepraat. Voor veel kinderen en (achter)kleinkinderen was dat een verwarrende ervaring. Er is een intuïtief besef dat ‘iets’ niet klopt, zonder te begrijpen wat dat is. De worsteling met die erfenis is niet uniek, maar maakt deel uit van een groter patroon. Het is het ongemak van een natie die zich liever richt op heroïek en slachtofferschap dan op morele ambiguïteit. En niet gewend is over daderschap in collectieve termen te spreken.

En dus ploeteren we eenzaam voort. Op de kleine vierkante centimeter van het individuele leven: het verhaal van die ene familie, dat ene gezin. Daarom zien we het afgelopen jaar in de media naar aanleiding van de opening van ons grootste oorlogsarchief zoveel verhalen van persoonlijke worstelingen. Maar wat ontbreekt, is een overkoepelende analyse van wat dit voor ons betekent als collectief. Een poging tot werkelijk begrip: hoe kon dit gebeuren, in ons land, en wat zegt dat over wie wij zijn, toen en nu?

De Holocaust was een Europees fenomeen met vele daders en medeplichtigen. In Nederland zijn we nog maar pas begonnen met het ontrafelen van ons verleden van daderschap. De openstelling van de oorlogsarchieven speelt daarin een belangrijke rol. Onderschat is wat dit teweeg zou brengen en dat vind ik veelzeggend.

Maar ook in recente geschiedschrijving zien we deze ontwikkeling terug, zoals in De tien van Den Haag van Stephen Steinmetz. Daarin lezen we over het functioneren van de hoogste achtergebleven ambtenaren tijdens de oorlog: ‘De discriminatie van de Joden was voor de Nederlandse ambtenaren een terzijde geworden. En dat gold ook voor de principiële bezwaren.

Het is moeilijk om dit te lezen, en toch noodzakelijk. Steinmetz voert ons minutieus langs alle overwegingen van deze ambtenaren, we zien hoe ze langzaam worden meegezogen. Terwijl we door al deze nieuwe onderzoeken een beter beeld krijgen van ons eigen daderschap en onze medeplichtigheid is er ook op een andere manier sprake van een ruwe ontwaking. Herkenbare mechanismen van uitsluiting, wij-zij denken, en zondebokpolitiek zien we al een tijd opduiken in onze samenleving en de politiek.

De recente protesten rond de komst van een tijdelijke opvang voor asielzoekers in Loosdrecht zijn daar een duidelijk voorbeeld van. Onderzoek toont aan dat extreemrechtse netwerken bewust inspelen op dit soort situaties. Het is voor hen een manier om een achterban te mobiliseren en te rekruteren. De ideeën die daarbij circuleren, zoals de omvolkingstheorie of het concept van ‘remigratie’, bewegen zich steeds nadrukkelijker in het publieke debat.

Wat ooit marginaal was, wordt bespreekbaar. Het ‘nooit meer’ klinkt steeds krachtelozer. Dit geldt ook voor gebeurtenissen buiten ons eigen land. Onze eigen regering blijft historische bondgenoten steunen, ook als zij zich schuldig maken aan illegaal, excessief en genocidaal geweld. 

Dat regeringspartijen en politieke leiders zich niet duidelijk uitspreken, maar soms juist meegaan in de normalisering van zogenaamd oprechte zorgen van burgers, maakt het extra wrang. Het roept de vraag op wat een herdenkingscultuur vermag, als we blind zijn voor wat zich onder onze eigen ogen voltrekt. En wanneer politici en journalisten weigeren te benoemen wat er aan de hand is, in binnen- en buitenland.

Geraldine Schwarz schreef in 2017 een boek over herinnering als wapen tegen populisme. In het laatste hoofdstuk gaat zij in op de heropleving van extreemrechts. Het is ironisch, stelt ze, dat juist deze groeperingen zich vaak presenteren als verdedigers van Europese, westerse waarden. Schwarz vraagt zich af welk Europa zij daarbij voor ogen hebben. Het continent dat gebouwd is op de fundamenten van multi-etnische en multireligieuze culturen? Of een continent dat, gedreven door nationaal egoïsme en intolerantie, veranderde in een beschaving vernietigend monster? 

In onze westerse cultuur zit nog altijd een fascinatie voor fascisme. Daaronder gaat een pervers verlangen schuil naar een onvermijdbare apocalyps, de vernietiging van al het bestaande als een zuiverend principe. Extreemrechts maakt gebruik van dat perverse verlangen en ziet empathie als een zwakte, haat als een vorm van moed. Daar kunnen we ons alleen tegen verweren als we weigeren geheugenloos te zijn. Ook al voelt het soms zinloos en tegen de klippen op. 

Als Opler gelijk had en het idee Hitler nooit werkelijk is verslagen, dan ligt de betekenis van 4 mei in actieve waakzaamheid. Laat ons moment van herdenken vandaag er één zijn waarop we onszelf bevragen: over wat we toelaten en waarover we zwijgen.

Wil je mail bij een nieuw verhaal?

Vul dan je e-mailadres en naam in. Je kunt altijd weer uitschrijven.

Reacties

Plaats de eerste reactie


Herdenken

Nederland is ruw ontwaakt uit een droombeeld dat we lang koesterden van onze geschiedenis en van onszelf. Dat droombeeld omvatte de overtuiging dat het kwaad van de ander kwam, én dat wij van oudsher een tolerant en vrij volk zijn. Maar zijn we wel echt wakker, of sussen we onszelf nog steeds in slaap?

IMG

De Amerikaanse antropoloog Morris Edward Opler waarschuwde er in 1945 voor dat Hitler weliswaar verslagen was, maar het idee Hitler niet. Met geweld was het nazi-regime omvergeworpen, maar daarmee was de ideologie niet ontkracht.

Nederland is ruw ontwaakt uit een droombeeld dat we lang koesterden van onze geschiedenis en van onszelf. Dat droombeeld omvatte de overtuiging dat het kwaad van de ander kwam, én dat wij van oudsher een tolerant en vrij volk zijn. Wij laten ons niet knechten en zwichten niet voor fascisme. Dat we uit deze droom zijn wakker geschud, komt door nieuwe inzichten in ons eigen verleden van daderschap en actuele ontwikkelingen in onze politiek en samenleving.

Maar zijn we wel echt wakker, of sussen we onszelf nog steeds in slaap?

In oktober 2024 bezocht ik het museum Topographie des Terrors in Berlijn. Het ligt op een plek die zwaar beladen is met geschiedenis: ooit stond hier het hoofdkwartier van de Gestapo en de SS. Na afloop van mijn bezoek sprak ik met een gids. Hij vertelde over zijn ervaringen met het rondleiden van verschillende groepen bezoekers. Er zijn volgens hem twee typen nabestaanden die het museum met angst betreden: zij die vrezen een bekende te herkennen tussen de slachtoffers, en zij die bang zijn een familielid te herkennen tussen de daders. Duitsland, zei de gids, is een land vol daders. Die mogelijkheid, om een familielid te herkennen, maakt bezoekers kwetsbaar.

Die kwetsbaarheid voelde ik zelf ook. Als kleinkind van een Nederlandse SS’er en NSB’er sluit mijn ervaring aan bij de Duitse ervaring. In Topographie des Terrors stond ik stil voor een reeks foto’s van de Wiking-Divisie. Mijn ogen gleden zoekend langs de gezichten. Zou ik hier mijn oudoom Goof herkennen, die zich als SS’er bij deze divisie had aangesloten? Het was een beklemmend moment: het besef dat ik niet slechts een toeschouwer was, maar via mijn familie onderdeel van deze duistere geschiedenis. Tijdens het gesprek met de gids voelde ik me begrepen. Hij benoemde mijn gevoel; ik hoefde niets uit te leggen. In Nederland is dat nog altijd zeldzaam.

In het CABR heb ik net als vele anderen geprobeerd vat te krijgen op mijn familiegeschiedenis. Naast formele registraties vond ik persoonlijke sporen, zoals getuigenverklaringen en foto’s van mijn opa en mijn vader. Maar met al deze documenten lukte het me toch niet het verleden volledig te reconstrueren. Wat ontbreekt, is soms net zo veelzeggend als wat is vastgelegd.

Die spanning tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen wat is doorgegeven, verloren gegaan of verzwegen, is niet alleen iets persoonlijks. Ze weerspiegelt onze bredere, nationale worsteling met een verleden dat ongemakkelijker is dan we lang hebben willen zien. In veel families met een vergelijkbaar verleden als het mijne is nooit gepraat. Voor veel kinderen en (achter)kleinkinderen was dat een verwarrende ervaring. Er is een intuïtief besef dat ‘iets’ niet klopt, zonder te begrijpen wat dat is. De worsteling met die erfenis is niet uniek, maar maakt deel uit van een groter patroon. Het is het ongemak van een natie die zich liever richt op heroïek en slachtofferschap dan op morele ambiguïteit. En niet gewend is over daderschap in collectieve termen te spreken.

En dus ploeteren we eenzaam voort. Op de kleine vierkante centimeter van het individuele leven: het verhaal van die ene familie, dat ene gezin. Daarom zien we het afgelopen jaar in de media naar aanleiding van de opening van ons grootste oorlogsarchief zoveel verhalen van persoonlijke worstelingen. Maar wat ontbreekt, is een overkoepelende analyse van wat dit voor ons betekent als collectief. Een poging tot werkelijk begrip: hoe kon dit gebeuren, in ons land, en wat zegt dat over wie wij zijn, toen en nu?

De Holocaust was een Europees fenomeen met vele daders en medeplichtigen. In Nederland zijn we nog maar pas begonnen met het ontrafelen van ons verleden van daderschap. De openstelling van de oorlogsarchieven speelt daarin een belangrijke rol. Onderschat is wat dit teweeg zou brengen en dat vind ik veelzeggend.

Maar ook in recente geschiedschrijving zien we deze ontwikkeling terug, zoals in De tien van Den Haag van Stephen Steinmetz. Daarin lezen we over het functioneren van de hoogste achtergebleven ambtenaren tijdens de oorlog: ‘De discriminatie van de Joden was voor de Nederlandse ambtenaren een terzijde geworden. En dat gold ook voor de principiële bezwaren.

Het is moeilijk om dit te lezen, en toch noodzakelijk. Steinmetz voert ons minutieus langs alle overwegingen van deze ambtenaren, we zien hoe ze langzaam worden meegezogen. Terwijl we door al deze nieuwe onderzoeken een beter beeld krijgen van ons eigen daderschap en onze medeplichtigheid is er ook op een andere manier sprake van een ruwe ontwaking. Herkenbare mechanismen van uitsluiting, wij-zij denken, en zondebokpolitiek zien we al een tijd opduiken in onze samenleving en de politiek.

De recente protesten rond de komst van een tijdelijke opvang voor asielzoekers in Loosdrecht zijn daar een duidelijk voorbeeld van. Onderzoek toont aan dat extreemrechtse netwerken bewust inspelen op dit soort situaties. Het is voor hen een manier om een achterban te mobiliseren en te rekruteren. De ideeën die daarbij circuleren, zoals de omvolkingstheorie of het concept van ‘remigratie’, bewegen zich steeds nadrukkelijker in het publieke debat.

Wat ooit marginaal was, wordt bespreekbaar. Het ‘nooit meer’ klinkt steeds krachtelozer. Dit geldt ook voor gebeurtenissen buiten ons eigen land. Onze eigen regering blijft historische bondgenoten steunen, ook als zij zich schuldig maken aan illegaal, excessief en genocidaal geweld. 

Dat regeringspartijen en politieke leiders zich niet duidelijk uitspreken, maar soms juist meegaan in de normalisering van zogenaamd oprechte zorgen van burgers, maakt het extra wrang. Het roept de vraag op wat een herdenkingscultuur vermag, als we blind zijn voor wat zich onder onze eigen ogen voltrekt. En wanneer politici en journalisten weigeren te benoemen wat er aan de hand is, in binnen- en buitenland.

Geraldine Schwarz schreef in 2017 een boek over herinnering als wapen tegen populisme. In het laatste hoofdstuk gaat zij in op de heropleving van extreemrechts. Het is ironisch, stelt ze, dat juist deze groeperingen zich vaak presenteren als verdedigers van Europese, westerse waarden. Schwarz vraagt zich af welk Europa zij daarbij voor ogen hebben. Het continent dat gebouwd is op de fundamenten van multi-etnische en multireligieuze culturen? Of een continent dat, gedreven door nationaal egoïsme en intolerantie, veranderde in een beschaving vernietigend monster? 

In onze westerse cultuur zit nog altijd een fascinatie voor fascisme. Daaronder gaat een pervers verlangen schuil naar een onvermijdbare apocalyps, de vernietiging van al het bestaande als een zuiverend principe. Extreemrechts maakt gebruik van dat perverse verlangen en ziet empathie als een zwakte, haat als een vorm van moed. Daar kunnen we ons alleen tegen verweren als we weigeren geheugenloos te zijn. Ook al voelt het soms zinloos en tegen de klippen op. 

Als Opler gelijk had en het idee Hitler nooit werkelijk is verslagen, dan ligt de betekenis van 4 mei in actieve waakzaamheid. Laat ons moment van herdenken vandaag er één zijn waarop we onszelf bevragen: over wat we toelaten en waarover we zwijgen.

Delen is lief

Plaats de eerste reactie


Alle artikelen

Wil je mail bij een nieuw artikel?

Vul je naam en e-mailadres in en ik stuur je een mail als er een nieuw verhaal is.

Mail bij nieuw artikel
Geen spam. Beloofd. En je krijgt nog een e-mail om je aanmelding te bevestigen