;

Het Verzetsmuseum en ons ongemak

Het verzetsmuseum heeft het woord ‘verzetsheld’ niet geschrapt: het museum heeft het nooit gebruikt. Misverstanden worden in een tijd van dagelijkse ophef op sociale media snel waarheden. Naast verontwaardiging over wat zogenaamd niet gezegd kan worden, was er inhoudelijke kritiek. Waarom zou uitgerekend het verzetsmuseum de moedige mensen die in de oorlog hun nek uitstaken niet volmondig held noemen? 

Dat is ook niet eenvoudig uit te leggen. Een verwijzing naar de oprichters van het museum die zich niet prettig voelden bij het woord held is misschien niet overtuigend genoeg. In een tijd waarin extreemrechts een gevaarlijke comeback maakt, kan het nodig zijn om mensen die zich hiertegen in het verleden verweerden te eren en tot voorbeeld te stellen.

Ik waagde het om op Twitter de keuze van het verzetsmuseum te verdedigen. Ik stelde dat het de taak is van historici en musea om karikaturale interpretaties die leven in het publieke domein te nuanceren. Het verleden wordt niet bevolkt door helden en schurken, maar door mensen zoals jij en ik. Zodra je eendimensionale personages van hen maakt, verlies je mogelijk je nieuwsgierigheid naar hun motieven en drijfveren. Hans Blom noemt dit in een artikel over de ophef rond het verzetsmuseum het verschil tussen ‘collectieve herinnering’ en ‘historisch bewustzijn’. 

Nivellering

De meest voorkomende negatieve reactie die ik kreeg op mijn stellingname was het verwijt van nivellering. Mensen vonden dat ik ten onrechte verzetsmensen hun heldenstatus ontnam en moeite had goed en fout te onderscheiden. Soms werd gesuggereerd dat mijn familiegeschiedenis zou meespelen als motief. Het is een verwijt dat sinds het boek Grijs Verleden van Chris van der Heijden vaker wordt gemaakt als goed en fout in de oorlog gerelativeerd (lijken te) worden. Van de manier waarop Van der Heijden daarop werd aangesproken leerde ik dat het beter is om niets te zeggen over dit onderwerp als je zo’n achtergrond hebt zoals ik, ook al ben je historicus. En als je het toch doet, kun je maar beter meteen open kaart spelen. 

Ik ben daarom zelf de eerste om aan te geven dat mijn opa een rol speelt in mijn mening over dit onderwerp. Alleen wel op een andere manier dan sommige mensen vermoeden. Een moreel oordeel vind ik niet ingewikkeld. Mijn opa heeft na de oorlog niet voor niets een zware straf gekregen. Ik ben de confrontatie aangegaan, heb me verdiept in zijn dossiers bij het Nationaal Archief en probeer te begrijpen waarom hij dit heeft gedaan. 

Om uit te leggen hoe dit verleden dan wel mijn standpunt hierover heeft gevormd, zal ik een paar ervaringen delen. Niet omdat ik denk dat ze bijzonder zijn, maar omdat ik denk dat ze iets zeggen over hoe onze collectieve herinnering werkt in de praktijk.

Zwijgen

In de derde klas van de middelbare school kreeg ik les over de Tweede Wereldoorlog. Tijdens één van die lessen sprak de docent zich laatdunkend uit over de NSB en NSB’ers. Ook vertelde hij over zijn eigen familie en hoe die zich had verzet tegen de Duitsers. Hierop kwamen meer verhalen los van klasgenoten, die begonnen te vertellen over verzet van familieleden: overgrootouders, grootouders, ooms, neven, nichten. De docent en de leerlingen waren duidelijk trots op deze daden. Ik zat in de klas en dacht bij mezelf: wat zou er gebeuren als ik nu vertel over mijn NSB opa? Als zij zich blijkbaar identificeren met de heldendaden van hun voorouders, wat zegt mijn opa dan over mij? Zelf was ik er wel van overtuigd dat het niets over mij zei. Ik was er alleen niet zeker van dat zij – en met name mijn docent – dat ook zouden vinden. Ik was bang niet begrepen te worden en hield mijn mond. 

Ongeveer twee jaar daarna ging ik langs bij een vriendin die ik nog niet zo lang kende. Het was 3 mei. Terwijl ik bij haar thuis op de bank zat, vertelden haar ouders over dodenherdenking. Het was voor de familie een heel belangrijk moment: ieder jaar gingen zij naar een monument dat was opgericht ter nagedachtenis van een aantal plaatselijke verzetslieden. Eén daarvan was de overgrootopa van mijn nieuwe vriendin. De familie legde jaarlijks samen een krans: alle (achter)kleinkinderen waren verplicht aanwezig. Mijn vriendin zat er stilletjes bij en knikte. Terwijl ze mij dit vertelde, werd haar moeder emotioneel. Ze sprak uit hoe trots ze was op deze geschiedenis en hoe belangrijk het was ieder jaar stil te staan bij wat hij had gedaan. Ik hoorde het aan, was onder de indruk en dacht: als ik nu vertel over mijn opa word ik weggestuurd en hoef ik hier nooit meer te komen. 

Er is een plaats en tijd om verhalen te delen. Daar, op de bank bij die familie, was het duidelijk en ook logisch voor mij dat voor mijn familiegeschiedenis geen plek was. Zeker niet op dat moment. Het zou onnadenkend zijn geweest erover te beginnen, bot en lomp. Toch voelde het ook gek. Alsof ik een duister geheim had waarover ik moest zwijgen. Opnieuw vroeg ik me af of dit dan iets over mij zei. Als er aan de ene kant trots is, dan hoort aan de andere kant schaamte te zijn. Maar dat begreep ik niet. Want ik had zelf toch niets om me voor te schamen? Ik kon toch niets doen of veranderen aan dit verleden?

En de vraag die bleef hangen na een aantal van deze ervaringen was: wanneer is het eigenlijk wel een goed moment voor een gesprek hierover? 

Mijn hele omgeving en het dorp waar ik opgroeide, zwegen erover. In ieder geval tegen mij. Alleen mijn ouders vertelden zo nu en dan iets over deze geschiedenis.

Ongemakkelijke waarheden

Er lijkt nooit een goed moment voor ongemakkelijke waarheden. Mijn ongemak kwam voort uit het ongemak dat ik voelde bij anderen. Ik hield rekening met wat zij dachten. Ik hield ook rekening met hun oordeel. Het is een open deur als je stelt dat je de daden van voorouders iemand niet mag aanrekenen, maar in werkelijkheid wordt die boodschap tussen de regels door toch meegegeven. Natuurlijk vaak onbedoeld. 

Ik heb op een gegeven moment besloten zelf het voortouw te nemen. Vanaf het moment dat ik erover ging praten en schrijven, krijg ik reacties waaruit blijkt hoe groot ons collectieve onvermogen is. 

Ik heb eens samen met een collega geschiedenisdocent een duo-presentatie gegeven aan een aantal klassen. Mijn collega vertelde hoe haar familie in Rotterdam de oorlog was doorgekomen: door te overleven en soms op hun manier verzet te plegen. Daarna vertelde ik het verhaal van mijn familie. Op die manier wilden we de leerlingen de diverse perspectieven meegeven en het gesprek openen. Na die presentatie zei een andere collega: “Maar je opa was vast een aardige man, hij was vast niet een heel overtuigde NSB’er.” 

Maar het is niet nodig om mij gerust te stellen, dit te verzachten of het mooier te maken dan het is. 

Het andere uiterste is ook waar. Het is onnodig en onkies om mijn eerlijkheid hierover tegen me te gebruiken in een discussie. Het aan te grijpen als een excuus om mij niet serieus te nemen, mij te diskwalificeren, als persoon of als historicus. Dit zijn allemaal tekenen dat we als samenleving nog niet geleerd hebben hoe we met deze kant van de geschiedenis om moeten gaan.

Mensen zeggen me soms ook dat het moedig is dat ik erover spreek en schrijf, noemen me dapper. Ik heb veel reacties gekregen van mensen die zeggen te worstelen met een beladen oorlogsverleden in de familie en zich eenzaam voelen in die worsteling. Er zijn ook mensen in mijn omgeving die bezorgd zijn en zich afvragen of ik me niet te kwetsbaar opstel. Al deze reacties bevestigen dat hierover publiekelijk praten verre van vanzelfsprekend is en waarom dat zo is. Hans Blom heeft gelijk als hij het opvallend vindt dat zoveel jaren na de oorlog de emotie nog zo het debat kleurt. 

Gemiste kansen

Alle momenten van ongemak en alle keren dat mensen zwijgen om dit te voorkomen, zijn gemiste kansen. Als er meer openheid en belangstelling is voor de mensen uit het verleden, hun motieven, de keuzes die ze maakten, dan zouden veel gesprekken anders verlopen. Dan zou er meer ruimte zijn voor diversiteit in de verhalen. Het verzetsmuseum heeft geprobeerd die ruimte te creëren. Dat vind ik goed, omdat historici, geschiedenisdocenten en musea een voorbeeldfunctie hebben. Zij laten zien hoe dat moet: vanuit historisch bewustzijn naar het verleden kijken, werkelijk nieuwsgierig zijn. Van daaruit kan er wellicht iets veranderen. 

Mijn bezwaar is niet dat we bepaalde mensen als helden zien. Mijn bezwaar zit in een met emotie gevulde kijk op het verleden, waardoor onze ogen vertroebeld raken. Mijn bezwaar zit in het gebrek aan ruimte voor eerlijke gesprekken. Een eerlijk gesprek kun je alleen voeren als alle partijen hun verhaal delen. De Tweede Wereldoorlog kent er zoveel: mooie verhalen, pijnlijke verhalen, droevige verhalen. We doen de geschiedenis recht als die overal verteld kunnen worden. In de geschiedenisles, bij mensen thuis op de bank, en in het museum. Het wordt tijd dat we ons ongemak opzij zetten. Het goede moment is nu.

close

Wil je mail bij een nieuw verhaal?

Vul dan je e-mailadres en naam in. Je kunt altijd weer uitschrijven.

7 reacties

  1. Bijna iedereen zal het gesprek hierover uiteindelijk wel willen, maar (bijna) niemand durft het te beginnen. Jij wel. Dank daarvoor.

  2. Heel belangrijk voor iedereen die historische tentoonstellingen en educatie handen en voeten geeft.
    Ik geef jouw bevindingen door aan mijn historisch netwerk/ eigen streekmusea En kijk uit naar je volgende inzichten.

  3. Ik wil behalve mijn lovende woorden over je blog nog wel meer delen wat jouw verhaal staaft. Maar moet daar even goed over nadenken hoe dat te verwoorden. Ik wil niet in een ‘how can I make this about me’ situatie komen. Voor nu chapeau hoe je dit ‘gevoel’, de mix van feiten en verhalen (maar ook je èigen herinnering) verwoord.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Wil je mail bij een nieuw verhaal?

Vul dan je e-mailadres en naam in. Je kunt altijd weer uitschrijven.